Reportages

Het DNA van Twente

Adrie Strikker is bestuurslid en vrijwilliger bij de Oudheidkamer Twente. We hebben met haar afgesproken bij de Museumfabriek, voorheen Twentsewelle, waar het depot van de vereniging is. Helaas mogen we daar niet naar binnen, omdat alle voorwerpen er zorgvuldig op voorgeschreven luchtvochtigheid en temperatuur en in het donker worden bewaard. Maar ze geeft ons wel een kijkje achter de schermen van het werk van de Oudheidkamer én ze heeft een aantal voorwerpen uit het depot gehaald om te laten zien en over te vertellen.

30.000 voorwerpen
“Voorwerpen die aan ons worden overgedragen moeten eerst in de vriezer, om ze vrij te maken van bacteriën. Vervolgens gaan we aan de slag met de registratie. We proberen dan zoveel mogelijk over het voorwerp te weten te komen. Bewaren in een depot kost geld, dus we nemen niet zo maar alles in de collectie op. Het moet kenmerkend zijn voor een bepaalde tijd, of bijzonder zijn en een aanvulling op wat we al hebben.” Volgens Adrie heeft de Oudheidkamer rond de 30.000 voorwerpen in beheer. “Munten, schilderijen, kleding, porselein, meubilair, boeken; je kunt het zo gek niet bedenken of we bewaren het. Elk voorwerp vertelt iets over de geschiedenis van de regio, onze collectie vormt als het ware het DNA van Twente.” Zelfs landschappelijke archeologie maakt deel uit van de collectie. “De grafheuvels bij Vasse en Mander horen bijvoorbeeld officieel bij onze bezittingen. Ze zijn in beheer gegeven bij Landschap Overijssel.”

Hagelstenen
Gevraagd naar wat ze zelf een bijzonder voorwerp uit de collectie vindt, laat Adrie twee doosjes met een soort grote stenen zien. “Dit zijn afgietsels in was van hagelstenen die tijdens noodweer in 1872 en in 1917 in Twente zijn gevallen. De kranten schreven daarover, want er werden schapen gedood door de enorme hagelstenen. Die artikelen hebben we ook nog. Een voorwerp als dit vertelt ons dat men vroeger natuurfenomenen net zo bijzonder vond als wij tegenwoordig.”

Bronzen schaal van Regenspurg
Een ander voorwerp dat Adrie uit het depot heeft gehaald is een bronzen schaal met in het midden een turkoois. “Deze schaal is van Piet Regenspurg, in de jaren twintig van de vorige eeuw een bekende edelsmid in Enschede. Hij heeft ook prachtige voorwerpen voor de synagoge gemaakt.” In de schaal staat een spreuk in het Latijn gegraveerd, die volgens Adrie ‘Kunst duurt lang, het leven is kort’ betekent. Haar eigen beroep is juwelentaxateur, een antiek  sieraad was ooit aanleiding om vrijwilliger bij de Oudheidkamer te worden. -“Geschiedenis heb ik altijd interessant gevonden, zeker in mijn vak. Op een gegeven moment vond ik bij de Museum-fabriek, in de collectie van de Oudheidkamer, bijzondere oorbellen. Ik vermoedde uit de renaissancetijd, circa zestiende à zeventiende eeuw. Via onderzoek bij het Rijksmuseum Amsterdam werd mijn vermoeden -bevestigd. Zo kwam ik naast mijn vrijwilligersfunctie bij de Museumfabriek ook bij de Oudheidkamer terecht. Ik was gelijk gegrepen door de hoeveelheid voorwerpen en vooral het verhaal dat ze vertellen. Ik zet me er graag voor in om dat onder de aandacht van het publiek te brengen.”

Cultureel erfgoed
De simpele kop-met-schotel die ze -vervolgens laat zien, verwijst naar de voormalige Buitensociëteit, later café-restaurant A B (Algemeen Belang). “Dat was tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw een begrip in Enschede, senioren kennen het allemaal. Een voorwerp als dit vertelt iets over het leven en de cultuur in een bepaalde periode, dat maakt het voor ons belangrijk genoeg om te bewaren.” Hetzelfde geldt voor de talloze fotoalbums met zwart-wit foto’s. “Foto’s geven veel informatie over vroeger. Bijvoorbeeld over de kleding die mensen in een bepaalde periode droegen en hoe hun inrichting er uitzag.”

Knipmutsen
Regelmatig worden voorwerpen uitgeleend ten behoeve van exposities. Ook is het nodige te bezichtigen bij de Museumfabriek. Een hele wand met knipmutsen bijvoorbeeld. Adrie: “Twentse boerenvrouwen droegen deze kanten knipmutsen vroeger op zon- en feest-dagen. Zo’n knipmuts was kostbaar, ik heb wel eens horen vertellen dat de kosten van één kanten exemplaar gelijk stonden aan de prijs van een koe. Moet je je voorstellen dat een boer vier dochters had, die allemaal een knipmuts moesten hebben!” Een ander onderdeel van de dracht voor vrouwen bestond uit een rok met onderrok en een jack. Adrie wijst op een blauwgestreepte onderrok die in de Museumfabriek wordt geëxposeerd. -“Eigenlijk was de onderrok mooier dan de bovenrok, want die was meestal zwart. Het is stevige stof en dat zegt ook iets over die tijd; er was weinig geld en kleding moest zo lang mogelijk meegaan.”

Heren van de textiel
Adrie denkt dat het kostbaarste bezit van de Oudheidkamer, naast het onroerend goed, een munten- en penningen-verzameling is. “De ‘heren van de textiel’ kochten op een veiling in Amsterdam een aan Twente gerelateerde muntenverzameling. Om deze goed te bewaren voor Twente en voor het nageslacht, leidde dat in 1905 tot de oprichting van de Oudheidkamer Twente. Een groot deel van onze collectie is afkomstig uit schenkingen van textielfamilies.” Ze vraagt specifiek aandacht voor de boekencollectie. “We zijn in het bezit van boeken waarvan er maar twee of drie op de wereld zijn!” In de Museumfabriek laat ze een zeer speciale collectie ‘boeken’ zien: een xylotheek. Het ziet er uit als een plank met boeken, maar het zijn kistjes. Elk kistje is gemaakt van een andere houtsoort en bevat informatie en materiaal over de boom waarvan het hout afkomstig is, zoals zaden en gedroogde blaadjes. De kistjes zijn beplakt met het schors van de boom. In het verleden diende een xylotheek als naslagwerk voor botanische studies.

Eerbetoon
Er zijn ook volop voorwerpen die naar de textieltijd verwijzen, zoals stalenboeken met stoffen en patronen. Adrie: “Nadat de textielindustrie ten onder was gegaan, zijn veel patroontekenaars in de reclame aan het werk gegaan. Wist je dat er daarom in die tijd in Twente veel grote reclamebureaus waren?” Ze zou graag willen dat het publiek meer van de collectie zou kunnen zien. “Voorwerpen van vroeger vertellen waar we vandaan komen en laten ons het nu beter begrijpen. Wat mij betreft mag er meer bewustwording komen over het Twentse verleden, we kunnen trots zijn op wat er is bereikt. Denk maar eens aan de textiel en hoe hard onze voorouders daarvoor hebben gewerkt. Nu is er weer aandacht voor de textiel, maar dan op een andere manier – en onder betere arbeidsomstandigheden. Daarmee bouwen we als het ware verder op ons verleden. Dat is toch een eerbetoon aan het harde werken van onze voorouders.”  

tekst: Nienke Swierstra / fotografie: Rick Nederstigt