Reportages

Interview Elsbeth Etty

Ruim vijf jaar werkte Elsbeth Etty aan de biografie van schrijver en dichter Willem Wilmink. ‘In de man zit nog een jongen’ is een lijvig boek, waarin leven en werk van de beroemde Tukker openhartig en ontroerend zijn beschreven.

De langverwachte biografie van Willem Wilmink kan bijna niemand zijn ontgaan. Biografe Elsbeth Etty werd geïnterviewd voor talloze kranten, tijdschriften, radio- en televisieprogramma’s en vertelde er meerdere keren over in De Wereld Draait Door, ook samen met weduwe Wobke Wilmink. Op zondag 27 januari, tijdens de eerste editie van festival Lutterzand Literair, vond de officiële presentatie plaats met de overhandiging van het eerste exemplaar aan dichter Jean Pierre Rawie, een goede vriend van Wilmink. Elsbeth Etty vertelde anekdotes en er was muziek. Onder het publiek bevonden zich onder meer de weduwe en (klein)kinderen van Wilmink, vrienden als Herman Finkers en er was de nodige pers aanwezig. Wieteke van Dort, met volgens eigen zeggen een kleine honderd liederen van Wilmink op haar repertoire, bracht hiervan een aantal ten gehore. En het publiek zong mee.

Rode draad
Elsbeth Etty is een beetje overdonderd door de mediastorm. “Ik had al deze aandacht niet verwacht en eerlijk gezegd ben ik daar ook niet mee bezig geweest. Mijn streven was niet om een publieksboek te maken, voor mij was het belangrijkste dat het verhaal klopt en dat alle bronnen zijn gecheckt. Maar het is natuurlijk wel fantastisch dat het op deze manier is ontvangen.” De vraag om de biografie te schrijven kwam via uitgever Vic van de Reijt, oud-student en bewonderaar van Wilmink. Elsbeth ontving via Wobke Wilmink een tiental dozen met nagelaten archiefmateriaal. “Ik ben begonnen met alles te lezen: zijn proza, zijn gedichten, zijn brieven en alles wat hij zelf had bewaard. Willem maakte als puber en als student bijvoorbeeld dichtbundeltjes, vertederend om te lezen. Als broodschrijver hield hij bij wat hij schreef, wie de opdrachtgever was en wat hij er mee verdiende. Dat persoonlijke materiaal heb ik allemaal kunnen bekijken, het is nu aan het Literatuurmuseum geschonken.”

Verder interviewde ze tientallen mensen die Wilmink in verschillende perioden van zijn leven hebben gekend. “Een van de eersten die ik heb gesproken was Wilminks jongste broer Hans. Hij heeft me onder meer meegenomen naar de Javastraat in Enschede, waar Willem gedurende zijn jeugd en zijn laatste levensjaren heeft gewoond.” Hoewel ze Wilmink tijdens haar studie in Amsterdam wel eens had ontmoet, kende ze hem niet goed. “Dat was voor het schrijven van de biografie een voordeel. Wanneer je met een bepaalde visie aan het werk gaat bestaat het risico dat je alles wat je ontdekt op die visie gaat afstemmen. Ik had van te voren geen visie, maar heb al lezend, interviewend en schrijvend geleidelijk een rode draad in zijn levensverhaal gevonden.”

De wereld van kinderen
Uit brieven die Wilmink aan vrienden schreef ontstond bij Elsbeth de indruk dat hij zich beklaagde, omdat zijn vrienden vonden dat hij zich af en toe vreemd gedroeg. “Hij vroeg ze wat er dan precies mis met hem was. Hij wilde zich gedragen zoals hij was − impulsief en een beetje kinderlijk − maar voor zijn gevoel werd dat niet geaccepteerd. Hij voelde zich een buitenstaander.” De biografe beschrijft Wilmink als een intelligente en talentvolle, maar lang niet altijd gemakkelijke man. “Hij kon humeurig en onzeker zijn en verkeerde eigenlijk in een voortdurende staat van paniek. Poëzie was voor hem een middel om harmonie in zijn leven te vinden. ‘Rust in de kop’ noemde hij dat. Hij had ook de onbevangenheid en naïviteit van een kind. In de jaren zestig en zeventig gebeurde er van alles op maatschappelijk en politiek gebied, maar dat leek aan hem voorbij te gaan. Dat intrigeerde me.”

Ze ontdekte dat Willem gebeurtenissen 180 graden kon kantelen, om op die manier van mislukkingen successen te maken. “Hij was in staat om er een draai aan te geven en zo van zijn leven een fantastisch verhaal te maken, een soort sprookje. Zelf zei hij dat hij op de leeftijd van een elfjarige was blijven steken en dat was misschien ook wel zo, met alle voor- en nadelen die daarbij horen. Hij kon zich verplaatsen in de wereld van kinderen, maar het plaatste hem ook buiten de wetenschappelijke wereld van het Instituut voor Neerlandistiek waar hij werkte. Het Schrijverscollectief, dat teksten leverde voor De Stratenmakeropzeeshow, J.J. De Bom en andere kinderprogramma’s, was in zekere zin zijn redding. Daar bleek dat hij geld kon verdienen met de combinatie van zijn taaltalent en zijn vermogen om als een kind te denken en voelen. Bovendien werd hij door de andere schrijvers bewonderd en in die setting floreerde hij.”

Verloren zoon
Elsbeth heeft uitgebreid gesproken met de uitgever van Wilminks Twentse gedichten. “Men is zeer te spreken over de wijze waarop Willem vertaalde en hij vond het zelf geweldig om iets naar het Twents om te zetten. Herman Finkers vertelde me overigens dat het Twents van Willem niet zo goed was. Hij noemde het ‘Kuperdieks’, een Enschedees dialect dat Willem op straat had opgepikt.” Wat denkt ze dat voor Wilmink de reden was om terug te gaan naar Twente? “Willem was in heel Nederland een gevierd schrijver, maar terugkomen in Twente voelde voor hem als een warm bad. Als Willem werd geminacht, dan kromp hij als het ware. Bij waardering bloeide hij op en Twente haalde hem binnen als de verloren zoon. Wobke vertelde me dat hier zijn echte vrienden woonden. Van de inmiddels overleden weduwe van Harrie Bannink hoorde ik dat de mannen altijd Twents spraken als ze samen waren, tussen die twee Tukkers was een enorme klik. Ik denk dat hij altijd een soort heimwee naar Twente heeft gehad. Die laatste jaren in Enschede waren voor hem een periode waarin hij echt gelukkig was.”

Ze heeft zich de afgelopen jaren intensief beziggehouden met het leven van Wilmink. Heeft ze er nu spijt van, dat ze hem vroeger niet beter heeft gekend? “Een van zijn voormalige studenten, de enkele jaren geleden overleden schrijfster Rascha Peper, had dat gevoel wel. Ze vond hem vroeger een beetje raar, die docent met dat Twentse accent. Maar later vond ze het jammer dat ze toen niet mee ging naar de cafés waar Willem na de colleges met zijn studenten napraatte. Wat mij betreft: wanneer ik hem vroeger beter had gekend, dan had ik nu niet op deze manier over hem kunnen schrijven. Ik ben blanco aan dit boek begonnen en heb geprobeerd Willem te beschrijven zoals hij in elkaar stak. Het is misschien geen flatteus, maar wel een eerlijk portret.”

tekst: Nienke Swierstra / fotografie: Rikkert Harink